CBP: noodzaak om alle telefoon- en internetgegevens te bewaren is onvoldoende onderbouwd

17-02-2015 | door: Witold Kepinski

CBP: noodzaak om alle telefoon- en internetgegevens te bewaren is onvoldoende onderbouwd

Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie geadviseerd over het wetsvoorstel dat een aanpassing van de bestaande bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens van zowel telefoon- als internetverkeer regelt. Het CBP stelt vast dat de noodzaak om alle telefoon- en internetgegevens in Nederland te bewaren, onvoldoende is onderbouwd. Het CBP adviseert daarom het wetsvoorstel niet in te dienen.

De aanleiding voor het wijzigingsvoorstel van de Telecommunicatiewet en het Wetboek van Strafvordering is een uitspraak van het Europees Hof van Justitie uit april 2014. Het Hof bepaalde dat een algemene bewaarplicht van zogeheten verkeersgegevens in strijd is met het fundamentele recht op de bescherming van persoonsgegevens zoals dat is verankerd in Europees recht.

Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel past de bestaande bewaarplicht op onder meer de volgende punten aan:

introductie van een voorafgaande toetsing door een rechter-commissaris op vorderingen van officieren van justitie tot verstrekking van historische telecommunicatiegegevens;
introductie van een onderscheid tussen een bewaartermijn van 12 maanden voor telefoniegegevens en de termijn van raadpleging ervan tussen de 6 en 12 maanden, afhankelijk van de aard van het misdrijf.

Noodzaak bewaren telecomgegevens
Het bewaren van de historische telefoon- en internetgegevens van bijna alle Nederlanders gedurende 6 tot 12 maanden is een zeer ingrijpende maatregel waarvan de noodzaak onweerlegbaar moet worden aangetoond. Het CBP constateert dat in het wetsvoorstel de onderbouwing van deze noodzaak tekortschiet.

De opsporingsautoriteiten hebben ruim 4,5 jaar ervaring opgedaan, maar het is kennelijk niet mogelijk gebleken een systematische onderbouwing te leveren van de noodzaak van deze bewaarplicht. In het wetsvoorstel wordt bovendien voorbijgegaan aan de vraag of er geen andere, minder ingrijpende middelen mogelijk zijn om hetzelfde doel te bereiken.

Onevenredige inbreuk persoonlijke levenssfeer
Het CBP stelt vast dat de regering vasthoudt aan een algemene bewaarplicht. De bewaarplicht beperkt zich niet tot enkel die gegevens die noodzakelijk zijn voor het bestrijden van zware criminaliteit. Het CBP concludeert dat hiermee de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van feitelijk alle Nederlanders te groot en onevenredig is.

Het CBP concludeert bovendien dat er niet aan 3 andere voorwaarden is voldaan, die zelfs van belang blijven bij een eventuele nadere afbakening van de bewaarplicht. Het gaat om:

het informeren van mensen over het opvragen van hun gegevens na afronding van een strafrechtelijk onderzoek;
transparantie over het gebruik van de bewaarde gegevens, bijvoorbeeld statistieken over hoe vaak telecommunicatiegegevens worden opgevraagd;
de positie van mensen met een beroepsgeheim.

Onderscheid bewaren en gebruik
Ten slotte heeft het CBP het door de regering beoogde onderscheid tussen het bewaren van gegevens en het gebruik ervan beoordeeld. Dit onderscheid maakt de onevenredigheid tussen het doel van het bewaren van de gegevens en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet anders en leidt daarmee tot onrechtmatigheid van deze algemene bewaarplicht telecommunicatiegegevens.

Terug naar nieuws overzicht